Nieuws

23 APR

Het geheim van Stille Zaterdag

De zaterdag tussen Goede Vrijdag en Paaszondag neemt in het liturgisch jaar een uitzonderlijke plaats in. Er wordt op deze dag een geloofswaarheid herdacht die echter geen liturgische viering kent; of misschien nog beter gezegd, die gevierd wordt door in een kale, van alle versiering ontdane kerk doodse stilte in acht te nemen. Deze zaterdag heet dan ook Stille Zaterdag. De deuren van het lege tabernakel staan open. De altaartafel is ontbloot; er ligt geen dwaal meer. Alles ademt een sfeer van afwezigheid.

En toch is met deze sombere dag één van de artikelen van ons geloof verbonden. Het geloofsartikel over Jezus´ nederdaling ter helle; zoals wij dat bidden in de Twaalf Artikelen oftewel de Apostolische Geloofsbelijdenis. "Ik geloof in Jezus Christus…die is nedergedaald ter helle". Een geloofsartikel waar wij doorgaans misschien nogal vlug aan voorbij gaan en waarvan wij de betekenis misschien moeilijk vinden. Wellicht schrikt ook het woord: hel ons af, en kunnen wij dat maar moeilijk in verbinden met Jezus.

De gedachte die erin tot uitdrukking gebracht wordt, gaat terug op de oudste christelijke tijden. Vooral de vraag: wat is eigenlijk het lot van al die rechtvaardigen die reeds vóór Christus’ verlossende kruisdood gestorven zijn? Hebben zij ook toegang tot de hemelse heerlijkheid? Heeft Christus ook hen gered? De kerkvaders van de eerste eeuwen zochten hierop positief te antwoorden. Jezus is de Redder van allen. Zijn verlossing heeft een universele betekenis. Maar hoe is deze redding dan concreet verlopen?

De kerkvaders beriepen zich op enkele bijbelteksten waaruit zij afleiden dat Jezus na Goede Vrijdag naar de onderwereld was afgedaald waar de rechtvaardigen van oudsher onverlost waren ondergebracht, nog in de macht van de dood. Hij komt hen daar zijn overwinning op die dood verkondigen. Vooral de bijbelse tekst 1 Petr. 3, 18.19 had tot deze voorstelling aanleiding gegeven: "Naar het lichaam werd Hij gedood, maar naar de geest ten leven gewekt. Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten om dit alles te verkondigen". Een schilderachtige beschrijving van deze nederdaling vindt men in het apocriefe evangelie van Nicodemus uit de 3e of 4e eeuw.

In de middeleeuwen beeldde men dit tafereel graag af. In het Westen wordt de hel afgebeeld als de muil van een groot monster. Christus neemt de eerste dode, Adam, bij de hand en leidt hem naar buiten toe, dan volgen de overigen. In de Oosterse kerk is de nederdaling ter helle, de z.g. "anastasis" dé verrijzenisafbeelding bij uitstek geworden, tot op de dag van vandaag. Jezus daalt neer te helle (het dodenrijk) , zo werd dus al heel vroeg beleden, om al deze "heidense heiligen" (aldus Jean Daniélou) de toegang tot het paradijs mogelijk te maken. De geloofswaarheid: nederdaling ter helle wil het universele karakter van de verlossing benadrukken. Christus is gestorven voor alle mensen van alle plaatsen en tijden.

Men zou echter ook nog op een tweede betekenis van dit geloofartikel kunnen wijzen. Het is tekenend dat juist in onze tijd vooraanstaande theologen de nederdaling ter helle een centrale plaats hebben gegeven in hun gedachtengang. Zoals de beroemde Zwitserse theoloog Hans Urs von Balthasar (1905-1988). Jezus heeft "voor ons", in zijn onze plaats, de zondelast van ons mensen gedragen. Hij is de Zoon van God, één met de Vader in de onverbrekelijke liefde van de heilige Geest. Maar Hij, één met die Liefde van God, is juist door "de hel" moeten gaan van de oneindige afstand tot diezelfde God. Want het kwaad bergt toch deze afstand in zich. Hij heeft als goddelijke Liefde de haat en de miserie van de wereld moeten doorlijden, om deze van binnenuit te overwinnen Hij heeft het uitzichtloze donker dat zo velen in onze tijd kwelt in eenzaamheid en zinloosheid, moeten doorschrijden. Maar, de liefde van de Vader (de heilige Geest) heeft Hem echter in deze doortocht niet verlaten. Misschien kan men enigszins de nederdaling van Christus vergelijken met de "donkere nacht" die mystieke heiligen hebben moeten doormaken; natuurlijk niet op dezelfde unieke god-menselijke wijze van Jezus, de Zoon van God.

De Zoon van God, mensgeworden Liefde van de Vader, is op onze plek van verlatenheid, ja zelfs van godsverlatenheid gaan staan. Maar als goddelijke Liefde heeft Hij juist deze uiterste "donkere nacht" het bevrijdende Licht van Gods nabijheid gebracht. Christus heeft in de nederdaling ter helle de oneindige distantie tussen het kwaad en God overbrugd. Niet door een machtsgreep van buiten af. Maar door mét en in plaats van ons midden in de ellende van het kwaad te komen staan.

Pastoraal-liturgisch gezien is het thema van de nederdaling vrij gemakkelijk in samenhang te brengen met de dooptheologie. Vooral teksten als Rom 6. ontvouwen een doopvisie waarin het mee-sterven, mee-begraven-worden en mee-opstaan met de gestorven en verrezen Christus centraal staan. In de doop maken wij opnieuw de "exodus" mee vanuit de slavernij aan het kwaad naar het land van vrijheid en vrede, zoals eens Israël. In het Paastriduum krijgt deze uittocht vanuit het Christus-mysterie nog een veel diepere inhoud. Door onze doop mogen wij ook in de meest duistere situatie blijven hopen op het verlossende Licht van Christus. Op het einde van Stille Zaterdag is het kerkgebouw nog heel gehuld in duisternis, maar weldra weerklinkt het Lumen Christi. De Paaskaars wordt binnengedragen. De oneindige distantie tussen Donker en Licht is overbrugd.

Ben Janssens pr.

Uit: Bisdomblad april 2011: “Sterven en verrijzen”
23-04-2011