Nieuws

17 SEP

'Laat kerkgebouwen kerk zijn'

Op 8 september vond in Den Bosch een symposium plaats in het kader van het Jaar van het Religieus Erfgoed. Onderstaand de integrale lezing van diaken drs. P.A.M. Broeders, directeureconoom van het bisdom. Hij pleit ervoor het kerkgebouw kerk te laten en daarvoor als samenleving de nodige middelen te genereren.

Doordat het voortgaand gebruik van veel kerken door kerkgenootschappen onder druk staat, dreigt er een teloorgang van religieus erfgoed. Gelukkig is in brede lagen van bestuurders en burgers inmiddels wel het bewustzijn gegroeid dat met het verlies van religieus erfgoed er echt heel veel verloren gaat. Niettemin zou de samenleving zichzelf geen dienst bewijzen als dat zou betekenen dat men ieder gebouw maar tracht te behouden én als dat zou betekenen dat men herbestemming als panacee voor de desbetreffende problematiek gaat zien. Die term erfgoed suggereert trouwens dat het zou gaan om een voltooid verleden tijd. Niets is minder waar: veruit de meeste kerkgebouwen zijn gelukkig gewoon in gebruik in de functie waarvoor ze oorspronkelijk bestemd en bedoeld zijn: namelijk om God te eren en te dienen en om God te kunnen ontmoeten. Laten we dat vooral niet vergeten.

Een deel van het religieus erfgoed is zonder twijfel van monumentale betekenis, vanwege de grote cultuurhistorische en architectonische waarde, in een deel van de gevallen nog versterkt door de ensemblewerking met de omgeving. Maar ook andere kerkgebouwen worden blijkbaar door brede lagen van de samenleving gewaardeerd. Deze waardering is vaak sterk wijk- of dorpsgebonden: men waardeert bovenal het kerkgebouw in de eigen directe omgeving, dat dan ‘beeldbepalend’ wordt genoemd. En inderdaad: alleen al door volume en omvang zijn de meeste kerkgebouwen – letterlijk – beeldbepalend. Een dergelijk gebouw roept meestal ook vertrouwde herinneringen op en positieve emoties. Ik weet zelf nog hoe ik me als kind thuis wist, als ik de Boxtelse Sint‑Petruskerk weer kon zien. En de generaties van nu koesteren bovendien nog herinneringen aan momenten waarop dat gebouw een rol speelde bij een kerngebeurtenis in het leven, bijvoorbeeld bij het afscheid van een dierbare. Het verbaast dan ook niet dat een kerkgebouw al snel bescherm- en behoudenswaardig wordt geacht. En als dan het kerkgenootschap niet langer in staat blijkt om dat gebouw te behouden, lijkt de oplossing voorhanden: namelijk herbestemming (geheel of misschien gedeeltelijk) van het desbetreffende gebouw.

Dat herbestemming vanuit financieel-economisch perspectief meestal geen succesverhaal is en dat kerkgenootschappen om godsdienstig-inhoudelijke redenen beperkingen opleggen aan de herbestemmingmogelijkheden van kerkelijke gebouwen, dat zal u al wel bekend zijn. Maar wat maakt kerkgebouwen écht bijzonder? Waar ik aandacht voor wil vragen, is de bijzondere waarde die kerkgebouwen, naast hun cultuurhistorische en architectonische waarde, toch bovenal voor onze samenleving hebben. En voor het feit dat massale herbestemming van kerkelijke gebouwen aan deze unieke en belangwekkende betekenis ernstig afbreuk zal doen.

In het rooms-katholieke geloof zien we een kerkgebouw als huis van God. Al eeuwenlang is het kerkgebouw in het gelovig verstaan van rooms‑katholieken een gebouw van eredienst en van eerbied en van stilte, waar ruimte is om God te ontmoeten. Daarnaast is het kerkgebouw een plek voor ontmoeting tussen mensen, maar dat is dan wel een ontmoeting die wezenlijk en direct verbonden is met de Godsontmoeting die de aanwezige leden van de geloofsgemeenschap samen mogen hebben, in het bijzonder tijdens de viering van de Heilige Eucharistie. Voor rooms-katholieken moet het kerkgebouw dus primair het huis van God zijn en een plaats om God te ontmoeten. Daarvoor wordt een rooms‑katholiek kerkgebouw ook gewijd.

In de recente discussienota van de Protestante Kerk in Nederland over de toekomst van kerkgebouwen wordt gesteld dat kerken en – meer algemeen – rituele ruimten behoren tot – ik citeer – “de orde van het niet-efficiënte, niet-nuttige, niet-economische domein”. En verder lezend: “een kerkgebouw is het prototype van een economisch inefficiënt gebouw. Maar deze ‘zwakte’ van de liturgische ruimte, deze verregaande staat van ‘buiten de economische orde zijn’, is vanuit een andere perspectief juist een kracht. Wij zouden kunnen aansluiten bij de tendens om de eigen aard van de liturgische ruimte weer te waarderen als een ‘heilige’ ruimte; als een ruimte die contrasteert ten opzichte van het alledaagse.” “De tijd van multifunctionele ruimten is voorbij”, stelt de nota, er zou “kunnen worden aangesloten bij het zoeken in onze cultuur naar ‘betekenisvolle, sacrale zones’, naar oases in de heersende orde van economie, berekening, nut en noodzaak. Aan de orde is het ‘onderscheidende karakter’ van het kerkgebouw. Met daarbij de vraag of de kerk niet bij uitstek degene behoort te zijn die ruimte biedt aan ‘meer dan het gewone’.” Tot zover deze citaten, die laat zien dat de katholieke en protestante visies op kerkgebouwen momenteel belangrijke overeenkomsten vertonen.

Wat maakt kerkgebouwen dus écht bijzonder? Geconcludeerd kan worden dat de betekenis bij uitstek van een kerkgebouw ligt in de ruimte die het biedt, om God te ontmoeten en als vrijplaats om te ontdekken wat ons heilig zou mogen en moeten zijn. Een kerkgebouw zal ook niet snel te groot zijn, als we de angst voor ruimte en stilte tenminste los durven te laten. Als we kerkgebouwen niet juist waarderen om wat ze zijn – niet-economische ruimtes die, zonder tegenprestaties te verlangen, in meerdere betekenissen ruimte bieden aan het goddelijke en aan het heilige en zo ook vindplaats voor het heilige kunnen zijn – dan doen we onszelf en onze maatschappij werkelijk tekort. Het gemak waarmee onze samenleving bereid lijkt om sacrale plekken – en trouwens ook voorwerpen – te profaniseren, staat trouwens in schril contrast met het respect voor het heilige dat we zien in veel wereldculturen.

Een reëel gevaar van een massale herbestemming van kerkgebouwen is dus het verlies van de eigen identiteit die nu net de unieke en meest belangwekkende waarde van deze gebouwen uitmaakt voor Kerk én maatschappij: het kerkgebouw zal dan straks niet meer als kerk herkend en erkend worden.We zouden onze kinderen en kleinkinderen geen Brabant en Gelderland moeten willen aandoen vol met kerkgebouwen die de band verloren zouden hebben met het geloof waaruit zij zijn voortgekomen en waarnaar zij verwijzen: fietsend door het landschap zouden ze zich niet moeten hoeven afvragen of er bij een toren nog wel een echte kerk hoort.

Dit leidt op de eerste plaats tot een pleidooi om kerken in hun oorspronkelijke herbestemming te handhaven. Dáármee bewijst de samenleving zichzelf een dienst. Dé weg tot behoud van deze kerkgebouwen is het zoeken van partnerschap met de kerkgenootschappen die eigenaar zijn en hen te helpen om deze gebouwen op hun eigen wijze te gebruiken. Op hun eigen wijze, want, zoals de commissie Hirsch Ballin stelt: “De verschillen in aanvaardbaarheid van multifunctioneel gebruik door de genootschappen zullen door de overheid als een gegeven moeten worden geaccepteerd”, met daarbij aangetekend: “Multifunctioneel gebruik brengt zelden financieel soelaas”. Ook de grondwettelijke vrijheid van godsdienst is in het geding, maar ik wil er hier op wijzen dat veel multifunctioneel gebruik evenzeer de eigen identiteit van het kerkgebouw ondergraaft.

Laten we niet vergeten dat het juist de kerkgenootschappen zijn die het beste begrip hebben van wat een kerkgebouw ten diepste is, die het gewoon zijn om voor een dergelijk gebouw te zorgen en die hebben aangetoond daar een grote inspanning voor te willen leveren, zowel in termen van financiën als van vrijwilligersuren. En dat terwijl de instandhouding van kerkgebouwen toch niet de primaire doelstelling van kerkgenootschappen is! Terwijl we in de meeste gevallen best met een kleinere en efficiëntere kerkruimte zouden kunnen uitkomen, willen we toch wel voort met die grote monumentale kerkgebouwen, maar tegen welke prijs. De commissie Hirsch Ballin zegt hierover: “Evenwichtig overheidsbeleid vereist dan dat de bijzondere kosten die verbonden zijn aan het blijven gebruiken van monumentale kerkgebouwen als kerkgebouw, niet eenzijdig op de betrokken kerkgenootschappen drukken”.

Natuurlijk zijn er tal van kerkgebouwen die omwille van hun bijzondere architectuur, monumentaliteit en cultuurhistorische betekenis niet verloren mogen gaan. Meestal zal zo’n gebouw ook niet verloren hoeven te gaan, als de geloofsgemeenschap ter plaatse maar adequaat wordt ondersteund. En als het dan toch eens voorkomt dat een belangwekkend gebouw moet worden opgegeven, dan zal de Kerk best willen meedenken over een passende herbestemming, zoals dat ook bij deze voormalige Sint‑Jacobuskerk gebeurd is. Maar we zullen het moeten aandurven om sommige kerkgebouwen níet te behouden: herbestemming kent niet alleen voordelen en is zeker geen panacee. Dat een bestaand gebouw beeldbepalend is en emoties oproept, is op zichzelf onvoldoende om volgende generaties een zware last op te leggen en de eigen specifieke identiteit van kerkgebouwen aan te tasten. En zou dat eigenlijk ook geen miskenning zijn van de kwaliteiten van architecten en stedenbouwkundigen van nu? Gebouwen kunnen vindplaats zijn voor het heilige maar hoeven niet zelf heilig te worden verklaard. Daarom een pleidooi voor durf om keuzes te maken uit dat enorme bestand aan onroerend religieuze erfgoed, omwille van wat écht belangrijk; een pleidooi voor een selectief beleid dus met respect voor de eigen identiteit van kerkgebouwen en het godsdienstige verstaan daarvan. En bovenal dus een pleidooi om het kerkgebouw kerk te laten en om daarvoor als samenleving de nodige middelen te genereren.

Intussen zitten wij ook niet stil: komende zaterdag en zondag zullen er in dit bisdom ruim tachtig kerken geopend zijn tijdens ons “Open Kerkweekend”, in dit jaar van het Religieus Erfgoed weer samenvallend met Open Monumentendag. 

17-09-2008