Nieuws

06 APR

Bisschop: 'taboe op vermindering aantal vieringen'

In dagblad Trouw van donderdag 6 april schrijft bissschop Hurkmans een opiniebijdrage over woord- en communievieringen. "De mogelijkheid om het aantal vieringen te reduceren, zodat de eucharistie op zondagmorgen echt het kloppend hart van het leven van de parochie wordt, lijkt soms volledig taboe,” schrijft de bisschop die binnen de Bisschoppenconferentie portefeuillehouder is voor liturgie.

Al vanaf het eerste begin kwamen christenen op zondag samen om de Schrift te lezen, te bidden en de eucharistie te vieren. In de eucharistie deden de christenen wat Jezus hen op Witte Donderdag had voorgedaan: het breken van het brood en het delen van de wijn. Toch is in de katholieke traditie eucharistie vieren veel méér dan een gedachtenisbijeenkomst aan Iemand die het ons lang geleden heeft voorgedaan. In ieder eucharistieviering is het Jezus Christus die ons samenbrengt en ontmoeten wij Hem als de Levende Heer. In de eucharistie wordt opnieuw (niet overnieuw) het lijden, sterven én verrijzen van Jezus Christus tegenwoordig gesteld. In de eucharistie vieren en ontvangen wij wat wij zijn: het Lichaam van Christus. “De eucharistie, de heilbrengende aanwezigheid van Jezus in de gemeenschap van de gelovigen en haar geestelijke voedsel, is het meest waardevolle bezit dat de Kerk op haar pelgrimstocht door de geschiedenis kan hebben”, schreef paus Johannes Paulus II daarom in zijn encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’ (2003).

Het vieren van de eucharistie valt in de katholieke traditie niet één op één samen met het ontvangen van de communie. Allereerst omdat sommige mensen, om wat voor reden dan ook, kunnen besluiten om in de eucharistieviering niet te communie te gaan. Helaas is het op deze wijze meemaken van een eucharistieviering in ons land wat verloren gegaan en lijkt het ontvangen van de communie door sommigen als een ‘must’ of zelfs een onvervreemdbaar recht te worden gezien voor een ieder die een eucharistieviering meemaakt. Het zou goed zijn, ook vanuit oecumenisch perspectief, wanneer de waarde van “eucharistische onthouding” wordt herontdekt. Tegelijk heeft de Kerk het verlangen naar het regelmatig ontvangen van de communie, met name in de vorige eeuw, sterk gestimuleerd en wegen mogelijk gemaakt om de communie ook buiten de eucharistie te ontvangen, bijvoorbeeld wanneer ziekte het onmogelijk maakt om naar de kerk te komen. Deze eucharistische vroomheid zit nog steeds diep bij veel mensen en maakt een viering zonder communie in hun beleving ‘niet af’.

Een relatief nieuwe (en buiten Nederland ook relatief onbekende) liturgische vorm van vieren buiten de eucharistie om is de zogeheten woord- en communieviering. Deze liturgische samenkomst bevat verschillende elementen die ook in de eucharistieviering voorkomen: gebeden, gezangen, het lezen van de Schrift. Maar het is geen eucharistieviering, ook al vindt er wel een communieritus plaats met eerder geconsacreerde hosties. Als het goed is wordt daarbij wel nadrukkelijk verwezen naar de eucharistieviering waarin de consecratie plaatsvond en het verdriet benoemd om het ontbreken van een priester waardoor er geen eucharistie mogelijk is.

De eucharistie vormt het hart van de Kerk en het vieren van de eucharistie, tenminste op de zondag (die op zaterdagavond begint), is essentieel voor de vitaliteit van iedere geloofsgemeenschap. Iedereen binnen de Kerk – van de bisschoppen tot de parochiebesturen – zou eensgezind moeten zijn in het streven naar de mogelijkheid dat iedere gelovige in staat is om op zondagmorgen een eucharistieviering bij te wonen. Soms bestaat die mogelijkheid niet, eenvoudigweg omdat er te weinig priesters beschikbaar zijn voor een geografisch groot gebied. Een woord- en communieviering kan dan, mits in de vormgeving duidelijk afwijkend van de eucharistieviering, een alternatief zijn om als geloofsgemeenschap toch op een inspirerende en goede wijze samen te komen en geloofsvoeding te ontvangen in de Heilige Schrift én in de communie. Het is waardevol dat vele gelovigen, beroepsmatig of als vrijwilliger, zich inspannen om deze woord- en communievieringen op een goede en aansprekende wijze vorm te geven. Ik ben er ook van overtuigd dat dat vaak met veel respect voor de eucharistie gebeurt en de meeste mensen het gemis van het niet kunnen vieren van de eucharistie oprecht voelen. Ik vraag mij daarom af of de mensen die zich met woord- en communiediensten bezighouden zich gepasseerd voelen wanneer zij pas op de plaats moeten maken als er toch een priester voorhanden is.

Er zijn ook situaties waarin eucharistievieringen en woord- en communievieringen als min of meer gelijkwaardige vieringen een vaste plek krijgen in het rooster van de parochievieringen en bijvoorbeeld wekelijks worden gerouleerd in het liturgisch schema op zaterdagavond en zondagmorgen. Het priestertekort is dan al snel gevonden als het motief maar het is de vraag of dat altijd terecht is. De mogelijkheid om het aantal vieringen te reduceren, zodat de eucharistie op zondagmorgen echt het kloppend hart van het leven van de parochie wordt, lijkt soms volledig taboe. Toch kan reductie en rationalisering van het aantal vieringen meer lucht bieden dan nu wordt vermoed en uitgesproken. Ook afstemming van de aanvangstijden van eucharistievieringen door naburige parochies, waardoor een priester op zondagmorgen op meerdere plekken in de eucharistie kan voorgaan, stuit soms op grote weerstand. Wanneer wij oprecht zijn in ons verlangen om de eucharistie te vieren, zullen we deze blokkades toch echt moeten slechten.

Waar we in ieder geval voor moeten waken is om de vraag naar een eucharistieviering of een woord- en communieviering in de sfeer van competenties te trekken, bijvoorbeeld die van een priester of pastoraal werk(st)er. Wanneer we gaan praten over het weren van wie dan ook van het altaar, dan zitten we volledig op het verkeerde spoor. In de eucharistie-viering is het de Heer Zelf die voorgaat; Hij nodigt ons uit om Hem te ontmoeten in het vieren van het paasmysterie dat de eucharistie is. Het kan niet zo zijn dat deze unieke zelfgave van Christus in de eucharistie ondergeschikt wordt gemaakt aan het streven om een pastoraal werk(st)er ook een liturgisch profiel te geven of gelovigen te laten wennen aan een ‘priesterloze Kerk’. Dan wordt de eucharistie een speelbal in een competentiestrijd die er helemaal niet zou moeten zijn. Het gaat niet om de plaats van de priester (of de leek) in de Kerk, maar om de roeping van iedere geloofsgemeenschap om eucharistie te vieren.

Het tekort aan priesters in ons land is reëel en zorgt voor de nodige organisatorische romp-slomp om onder andere de wekelijkse eucharistieviering daadwerkelijk mogelijk te maken. Tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn en onderkennen dat een deel van onze kerkelijke infrastructuur, bijvoorbeeld het aantal vieringen of de vanzelfsprekende nabijheid van een parochiekerk, mede een erfenis is van een periode toen er nog relatief veel priesters waren. We moeten het aandurven om die oude infrastructuren los te laten en geen gaten te vullen met oplossingen die geen oplossingen zijn. We moeten een Kerk bouwen die bestand is op de toekomst. Het streven naar het vieren van de eucharistie op de zondagmorgen is het beste fundament dat wij die Kerk kunnen geven. Woord- en communievieringen kunnen een hele waardevolle rol spelen in die gebieden waar echt geen eucharistieviering mogelijk is. Maar wanneer een woord- en communieviering steevast als een gelijkwaardig alternatief voor de eucharistie op het liturgisch menu komt te staan, miskennen wij de unieke betekenis van de eucharistie voor het leven van de Kerk. Dan bouwen wij de Kerk van morgen op een te wankele basis.

Mgr. A. Hurkmans is bisschop van ’s-Hertogenbosch en binnen de Bisschoppenconferentie portefeuillehouder voor liturgie
06-04-2006