Nieuws

12 NOV

Landelijke diakendag

Ruim 70 permanent diakens waren zaterdag 12 november bijeen in Den Bosch voor de landelijke diakendag. Al enkele jaren was er geen landelijke dag meer geweest voor de 325 permanente diakens die Nederland telt. Vicaris-generaal drs. J. Schröder, al 25 jaar betrokken bij de diakenopleiding in het bisdom Den Bosch, nam Charles de Foucauld (zaligverklaring op 13 november 2005, red.) als grote voorbeeld voor de diakens. “Hij zag tijdens zijn leven géén resultaat van zijn werk en had geen enkele volgeling, toch stond hij aan de basis van een spirituele beweging. Dat is diaconaal: meer zijn, dan doen,” aldus Schröder.

Hij hekelde de cultuur in Nederland die alleen maar praat over wat een diaken wel en niet mag. Hij deed vier aanbevelingen die volgens hem eigen zijn aan de spiritualiteit van de diaken. “Er is grote behoefte aan gepersonaliseerde zorg in onze overgeorganiseerde samenleving. Naastenliefde die niet wordt afgerekend en letterlijk ‘pro Deo’ is. Daar ligt een belangrijke taak voor de permanent diaken. Dat is wezenlijker dan bezig zijn met de vraag: waarom mag ik geen ziekenzalving doen?”, aldus Schröder. Hij adviseerde de diakens ook om zich te voeden aan de bron door deelname aan de eucharistie, gebed en aanbidding. Wat hem betreft mag een diaken samen met anderen hardop bidden, ook al is dat on-Nederlands. “Om te bidden hoef je niet persé bij een charismatische groep te zijn,” aldus Schröder. Ook mocht er volgens Schröder wel wat meer gelachen worden: “Lach ook om die Kerk, dat is heel gezond.” Hij ziet de Kerk als gemeenschap, als ‘ons thuis’ waar God en mensen elkaar ontmoeten. Als vierde ging Schröder in op de kerkelijke presentie die de diaken vertegenwoordigt, met als grote inspirator Charles de Foucauld, wiens leven volgens hem dialoog was, niet door taal maar door aanwezigheid.

Dat de diaken present is als middelaar tussen Kerk en wereld, bleek ook uit de vier workshops over diaconie. Woonwagenpastor Jan van der Zandt msc gaf het voorbeeld van diaken Coen Meens uit Maastricht die een dagtaak heeft aan het bekende woonwagencentrum Vinkenslag. Van der Zandt betreurde het dat woonwagenbewoners en zigeuners nog steeds in een soort getto’s moeten wonen. Pastoraal werker Peter Berkien schetste het verhaal van een heroïneverslaafde die succesvol was afgekickt. Het contact met zijn moeder, die niet veel meer van hem wilde weten was daarbij essentieel. “Toen hij uit het afkickcentrum kwam belde hij mij,” vertelde Berkien, “wie belt er nu een pastor, denk je dan?” Dat de Vincentiusverenigingen weer terug van weggeweest zijn, zoals Jan Schepers van de Bossche afdeling aangaf, bleek uit het verhaal van een diaken uit Den Haag die vertelde dat ze van de 50.000 (!) arme kinderen in Den Haag er slechts 2.000 kunnen helpen. Mevrouw Thea Prummel van het diaconaal centrum uit Eindhoven liet een DVD zien over het werk van dit centrum waar zo’n 40 tot 50 mensen per dag binnenlopen voor hulp. Het centrum ligt in de wijk Hemelrijken, waar ook straatprostitutie is.

Bisschop Hurkmans pleitte in zijn preek tijdens de mis in de Sint-Jan voor het bidden van het Getijdengebed waarin de psalmen gebeden worden. “Er zijn lof-, smeek-, en zelfs vloekpsalmen. Die laatste zijn ontstaan in wanhopige situaties,” aldus de bisschop, refererend aan de opdracht van de diaken op de armen te helpen

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Hieronder vindt u de volledige tekst van de lezing van drs. J. Schröder. U kunt deze ook downloaden.

HET PERMANENTE DIAKONAAT
gave en opgave voor de Kerk

"Wie ben ik eigenlijk?": dat is niet alleen de vraag van pubers, maar zeker in onze snelle communicatie-tijd stelt ieder mens en elke politieke partij zich die vraag; en dus ook de hele Kerk en een relatief jong vernieuwd kerkelijk ambt als het permanente diakonaat. De vraag naar identiteit is geen vraag vanwege crisis, maar het is een gezonde behoefte aan helderheid en aan perspectief voor de toekomst. Ik schets enkele lijnen over het hoe en wat; en ik doe enkele aanbevelingen voor de spiritualiteit van het diakonaat nu en op weg naar de nabije toekomst. Niet revolutionair, wèl - naar ik hoop - verdiepend.

TUSSENBALANS
We beschikken over veel en heel leesbaar materiaal over het ontstaan en de ontwikkeling van het permanente diakonaat in onze Kerk (vgl. mijn toespraak op 20 oktober 2001 bij het zilveren jubileum van het permanente diakonaat in bisdom Roermond in Kerkrade, hernomen in Communio 2002/3). Ik denk aan het extra nummer van genoemd tijdschrift getiteld 'Diaconaat en diaconie', Communio 2001/2-3, vooral het artikel van Marcel Gielis. Ik denk met name aan het rapport van de Internationale Theologische Commissie "Le diaconat - évolution et perspectives", te Rome ondertekend 30 september 2002 (Cerf, Paris, 2002, 140 blz., waarvan een NL-vertaling beschikbaar is van diaken drs. Alfons Hermans). Dit is misschien allemaal niet revolutionair, doch kern-inzichten bijbels, historisch en dogmatisch staan bijeen. Ik geloof in de omschrijving van Chélini: "nos racines pour comprendre notre présent".

Enkele inzichten die in dit document naar voren komen.

* De eigenheid moet minder gezocht worden op het terrein van 'doen' als wel op het gebied van het 'zijn'. Dat is moeilijk in een cultuur die vraagt: wat 'mag' jij wel/niet doen? wat is jouw prestatie, jouw product? Deze benadering is noodzakelijk voor onze identiteit, maar eigenlijk ook en vooral voor de hele Kerk als tegencultuur in onze tijd; en voor ons eigen spiritueel welbevinden en voor dat van ons gezin. Wie zich steeds moet rechtvaardigen wordt gemakkelijk depressief!
* Het Directorium voor het permanente diakonaat uit 1998 vermeldt dezelfde kerntaken als het tweede Vaticaans concilie in LG 29 doch: het concilie zegt: liturgie, woordbediening, liefdesdienst, terwijl het Directorium stelt: woordbediening, liturgie, liefdesdienst (134). Is dit toevallig of bedoeld?
  N.B. Er lijkt in de ontwikkeling (of is het in de beschrijving?) een spanning te liggen tussen de historische groei en de dogmatische omschrijving van het diakonaat, zegt een beschouwing over dit meest recente document (Didier Gonneaud, NRTh. 2003, p.404). In die bijdrage worden terloops twee andere vragen gesteld: heeft men in het document voldoende oog voor de ontwikkeling van het diakonaat in de Oosterse Kerk (idem p.414)? Wat betekent het dat de toepassing van de herinvoering van het diakonaat door het concilie grotendeels werd toevertrouwd aan de bisschoppenconferenties en zegt dat iets over de profilering van dit ambt (p.415-416)?
* Het diakonaat stelt de sacramentaliteit van onze Kerk present en is vooral een "medius ordo", ontleent zijn eigenheid vooral aan het 'middelaarschap' tussen Kerk en wereld maar ook anderszins (129); het lijkt historisch meer gerelateerd te zijn aan de bisschop dan aan de priester (119), maar onduidelijk is hoe men dit praktisch vertaalt (bij diverse cura ook in NL werken thans diakens).
* In de lijn van de oude Kerk is de diaken "Icona vivens Christi servi Ecclesia" (140), want dat is bij uitstek de wijze waarop het permanente diakonaat deelt in de unieke zending van Jezus Christus. Hij is de eerste en meest echte diaken.
* De opvatting, zoals die o.a. nogal sterk naar voren lijkt te komen rond het Internationaal Diakonaats Centrum (IDZ) te Rottenburg-Stuttgart: diaken is allereerst vertegenwoordiger van armen en zwakken, andere aspecten die ook met de functie van de priester verbonden zijn (liturgie, verkondiging), zijn secundair; want de diaken is primair voor diaconie, gestructureerde naastenliefde. De opleiding dient daarop afgestemd te zijn. Op het internationale congres in D-Freising op 22-26 september j.l. klonk dit soms door, naar ik begrijp. Deze opvatting is niet de richting welke de Internationale Theologen Commissie inslaat. Zij zoekt naar eigenheid binnen het drievoudige wijdingsambt, zonder éen facet quasi exclusief of prioritair te willen maken. In Nederland is dat in elk geval de oriëntatie van de twee grote Zuidelijke diocesen. Daarbij zijn deze bisdommen zich ervan bewust dat nog veel vragen voor de nabije toekomst onbeantwoord blijven.

TUSSEN LEER EN LEVEN
De uitdrukking "Jezus is de diaken bij uitnemendheid" klinkt een beetje onderworpen of slaafs, vooral in een tijd waarin assertiviteit populair is, terwijl de plicht om militair te worden in ons land is afgeschaft. Toch is het helder dat Jezus het dienaarschap ziet als een essentiële evangelische waarde waartoe Hij iedere volgeling oproept. Zelf is Hij bewust dienaar geworden om zijn leven te geven als losprijs voor velen (Mt. 20,28). Binnen de jonge christengemeenschap zijn reeds in een vroeg stadium mensen aangesteld voor de bedeling van hen die gebrek lijden (Hand. 6,1-6) onder wie Stefanus, mede vanwege zijn martelaarschap, een der bekendsten is geworden. Ook elders in de Schrift wordt naar hen en hun vrouwen verwezen (1 Tim. 3,8-12). Nadat het diakonaat als blijvende levensstaat en functie in vergetelheid was geraakt, heeft het tweede Vaticaans concilie gezorgd voor de herinvoering, middels een decreet dat op 21 november 1964 door paus Paulus VI werd ondertekend. Het gaat daarbij om toewijding aan de liefdesdienst binnen onze Kerk, in een sacrament en een levensstaat dat in beginsel open staat voor zowel celibataire als gehuwde mannen (LG 29). Dit wil zeggen dat het gaat om concrete activiteit maar eveneens om een authentiek getuigenis, in de regel vanuit het christelijk huwelijk, binnen onze geseculariseerde samenleving. Dat betekent in feite dat er een voortdurende uitnodiging naar diakens uitgaat om kerkelijke spiritualiteit en diakonale functionaliteit met elkaar in een harmonisch evenwicht te brengen.

Er zijn heel wat taken die op deze kerkelijke bedienaar wachten of waartoe hij, zij het niet steeds exclusief, bijzonder geroepen is. De toediening van het doopsel, de kerkelijke assistentie bij het huwelijk, het brengen van het viaticum naar de zieken, de verzorging van de liturgie van de uitvaart alsmede alles wat van doen heeft met een goede begeleiding van nabestaanden, wordt de laatste decennia binnen onze Kerk gezien als een zeer geeigende taak voor de diaken. Van oudsher behoort daar ook bij het lezen of zingen van het evangelie in de viering van de eucharistie alsmede het verzorgen van de verkondiging; de diaken is dus een gemandateerd predikant. Ook het uitreiken van de heilige Communie, het verrichten van zegeningen en het bedienen van sacramentaliën komt vaak toe aan de diaken. Het diakonaat is, zeker in onze samenleving, ook een appèl tot een eigen 'zijnswijze'. Daarbij gaat het erom de Kerk zichtbaar te maken en op bijzondere wijze presentte stellen binnen de maatschappij. Andersgezegd: het permanente diakonaat is bij uitstek een vorm van institutioneel getuigenis van de Kerk ín de wereld van vandaag zonder in die wereld op te gaan en onherkenbaar te worden. Een kwestie van "je nek uitsteken". Na afronding van het vormingstraject, dankzij de inzet van echtgenote en gezinsleden, groeit hier vaak een nieuwe vorm van kerkelijk 'toebehoren'. Juist vanuit dit milieu kent onze Kerk zeer veel gratis engagement. Kortom, het gaat om een nieuwe en kostbare differentiatie binnen de Kerk en ten dienste van onze wereld. Tekenwaarde en werkelijkheid ontmoeten elkaar bij de diaken op het snijvlak van Kerk en wereld. Zo toont zich het menselijk gezicht van de Kerk omdat Jezus zelf dienaar is, de diaken bij uitnemendheid.

Ik begrijp de suggestieve vraag van Paul Zulehner op het symposium van 16 mei 2005 in Leuven (35 jaar diakonaat in Vlaanderen): zou het niet beter, eerlijker zijn om geen diakonaat als ambt in de Kerk te hebben, want de hele Kerk moet in wezen diakonaal zijn? Ik begrijp de zorg, maar ik meen dat je dan vraagtekens kunt zetten bij elke vorm van ambtsbediening, eigenlijk bij elke kerkelijke ordening en structuur. Dat zou een miskenning zijn van de voortgaande incarnatie ten aanzien van Christus en zijn concrete Kerk; ik vind het ook een gebrek aan menselijk en kerkelijk realisme (moet je huwelijk afschaffen omdat alles om de liefde draait?). Ik onderschrijf met overtuiging de stelling van Alphonse Borras op hetzelfde symposium: "De basiskleur is: dienst in liefdewerken" (p.8) (zie ook: Alphonse Borras 'Repères pour une théologie du diaconat' in Prêtres diocésains, 1999, november p. 644-662), iets wat liturgisch-symbolisch èn praktisch vraagt om nadere doordenking.

SPIRITUALITEIT - enkele aanbevelingen
1. De diaken staat midden in een overgeorganiseerde samenleving die voor alles een loket, een instantie wil hebben. Juist in die contekst is er grote behoefte aan 'gepersonaliseerde zorg', aan vanuit het geloof geinspireerde en door de Kerk geordende naastenliefde die niet wordt afgerekend, doch 'pro Deo', om de mens en om de Heer. Laten we minder bezig zij met de vraag 'waarom mag ik geen ziekenzalving doen?' dan met de opdracht 'elke week een herkenbare, door Christus geinspireerde liefdesdienst' waardoor de Kerk echt present is in onze samenleving. (cf. toespraak Rolduc, ad III). Reflecteer regelmatig expliciet over de vraag: heb ik een activiteit die deze eigenheid van het diakonaat op bijzondere wijze herkenbaar maakt?

2. Mensenliefde verwordt tot filantropie of houdt geen stand in moeilijke dagen (of kleurloze tijden) als ze geen bron heeft. Die bron moet regelmatig herkend en benoemd worden: Jezus Christus, eucharistie, aanbidding. Alleen daardoor blijft Hij het brandpunt van inspiratie en leert liefde om het uit te houden. Zalige Moeder Teresa was daarin duidelijk: de aandacht voor de eucharistische Christus en voor de lijdende medemens waren voor haar nauw met elkaar verbonden. Voor aanbidding bestaat vandaag bovendien bij velen een nieuwe antenne. Daar ligt een kans en een opdracht. Een vast moment van uitdrukkelijk gebed - dagelijks of, minstens, wekelijks - samen met je echtgenote (het getijdengebed blijft hier even buiten beschouwing) is daarbij van bijzondere waarde. De eerste schrede is moeilijk, want hardop bidden met/bij éen ander is niet zo Nederlands, als je niet tot een charismatische groep behoort. Uiteindelijk is het opbouwend.

3. Vandaag kerkelijk zijn, vanuit je huwelijk als sacrament en het dagelijks gebed als bron, heeft uitstraling in onze samenleving en schenkt - samen met andere gezinnen - iets van nieuwe gemeenschap. Dan spreek je niet van de Kerk als instituut of als organisatie, maar de Kerk als 'ons thuis', als ontmoetingsplaats van God èn mens. Niet enkel geloofsgemeenschap maar Kerk als ervaring en als naam met enige fierheid zelf ervaren en naar anderen gepresenteerd. Die Kerk beschikt over een kostbare rijkdom, als vuur verborgen onder houtskoolvuur (Joh. 21,9). Vraag je wekelijks samen minstens éen keer af: in hoeverre is ons huwelijk dragende kracht voor het diakonaat? Lijd soms aan de Kerk doch vooral: lach om de Kerk en herken in haar een unieke persoon, het Lichaam van Christus en het Volk van God onderweg (Vat. II). In onze dagen is dat een belangrijk getuigenis!

4. Diakonaat als sacramenteel kerkelijk ambt, veelal gedragen door huwelijk en gezin is vandaag kerkelijke presentie die zich mag laten inspireren door Stefanus, Filippus, Laurentius, Efrem de Syriër, Fransiscus van Assisi alom, door Otger en Geert Grote uit onze Lage Landen, door Elisabeth van Thüringen of Louise de Marillac in Parijs als diakonale vrouwen. Maar ook door degene die op 13 november 2005 wordt zalig verklaard: Charles de Foucauld (1858-1916). Na een nogal wild en zoekend leven is hij gedurende zijn laatste levensjaren missionaris in de Sahara. Hij verdeelt dan zijn tijd tussen stille aanbidding bij het Allerheiligste en zeer eenvoudig menselijk contact met zijn moslim broeders en zusters die hem uiteindelijk hebben vermoord. Dialoog bij uitnemendheid. 'Kleine broeder' noemt hij zichzelf, zich zo sterk mogelijk identificerend met de 'arme Jezus'. Aanbidding en solidariteit gaan bij hem samen. René Voillaume, die aan deze levenswijze een apostolische duiding heeft gegeven, typeert deze spiritualiteit als "In liefde onder de mensen". De Foucauld heeft tijdens zijn leven eigenlijk geen resultaat gezien, geen volgelingen. Toch staat hij aan de basis van een sterke spirituele beweging. Dat is diakonaal en lijkt belangrijk voor de nabije toekomst van onze Kerk: meer zijn dan doen, kwaliteit van aanwezigheid, daad-werkelijke presentie.

drs. J. Schröder, vic.-gen.
12 november 2005
12-11-2005