Nieuws

11 JUL

8.2 Beleidsnota kerkmusicus

De regeling
D
e “Beleidsnota kerkmusicus” (een uitgave van het SRKK te Utrecht) geeft een allesom-vattende regeling voor wat betreft de kerkmuziek en behandelt achtereenvolgens de historie, de positie en het belang van kerkmuziek, de aanstelling en salariëring van de kerkmusicus, een compleet rechtspositiere-glement, een regeling voor de kerkmuziek en exameneisen voor het diploma kerkmuziek. De hier gegeven regelingen zijn met name bedoeld voor de professionele kerkmusici die van het dirigeren of orgel spelen geheel of gedeeltelijk hun beroep hebben gemaakt. De beleidsnota geeft voor hen de complete arbeids-voorwaar-den aan, via deze nota kan men bovendien bepalen welk bevoegdheidsni-veau een bepaalde kerkmu-sicus heeft, hetgeen weer van belang is ter bepaling van het daarbij behorende salaris.

Alle kerkmusici kunnen aanspraak maken op de toepassing van het Rechtspositiereglement. Alleen wanneer geen sprake is van een arbeidsovereenkomst (omdat de vereiste gezagsverhouding dan wel de persoonlijke prestatieplicht ontbreekt) of met de kerkmusicus een overeenkomst gesloten is in diens hoedanigheid van zelfstandig beoefenaar van een beroep, kan toepassing achterwege blijven.

» De ‘Beleidsnota kerkmusicus’ is verkrijgbaar via het SRKK of via het bisdom, zie ook § 19.8 «

Deze regeling is tot stand gekomen na overleg met afgevaardigden van de Nederlandse Sint Gregoriusvereni-ging (NSGV) en de Katholieke Dirigenten- en Organisten Vereniging (KDOV).

In de praktijk wordt de nota nogal eens als te zwaar en onpraktisch betiteld, hetgeen er soms toe leidt dat parochies wel kerkmusici aanstellen, doch niet op basis van de gegeven regelingen. Dit is voor de categorieën dirigenten en organisten waar de nota voor is gemaakt uiteraard een onwenselijke situatie.

Salariëring
Bij toepassing van de beleidsnota wordt het aantal te werken uren bepaald aan de hand van het schema dat in de nota is opgenomen.

In de uurbedragen is de voorbereidingstijd inbegrepen.

De honoreringsbedragen op (dienst)uurbasis zijn per 1 januari 2011 met 1,0% verhoogd (afgerond op € 0,05) en als volgt vastgesteld:

bevoegdheid dirigent én organist dirigent óf organist
Niveau I

€ 42,60

€ 28,40

Niveau II

€ 37,20

€ 24,80

Niveau III

€ 31,95

€ 20,90

Groep A

€ 26,65

€ 17,75

Groep B

€ 17,75

€ 12,05


Ter toelichting:
De honorering wordt afgeleid van een basistarief per uur voor vijf categorieën van vakbekwaamheid (zoals genoemd in de Beleidsnota voor Kerkmusici).

Categorie I Einddiploma Nederlands Instituut voor Kerkmuziek, diploma Kerkmuziek, Einddiploma Uitvoerend Musicus.
Koordirectie van een Nederlands conservatorium of daaraan gelijk te stellen instelling, tezamen met Praktijkdiploma Kerkmuziek.

Categorie II Praktijkdiploma Kerkmuziek, zowel koordirectie als orgel.

Categorie III Klein diploma KDOV (tot 1970). Diploma A + B NSGV
Diploma Kerkmuziek bisdom Roermond

Categorie A   Ongediplomeerden, beoordeeld door een commissie KDOV/NSGV.
Categorie B   Overigen.

De indeling in groep A. of B. wordt overgelaten aan het overleg tussen het bestuur en de functionaris.
Voor deze categorie van personen is het Rechtspositiereglement niet van toepassing.

Pensioen
Vanaf 1 januari 1992 bestaat voor kerkmusici een pensioenregeling, die is ondergebracht bij Centraal Beheer te Apeldoorn en waarvan de administratie wordt uitgevoerd door het AZL te Heerlen. Deze pensioenregeling is verplicht voor alle kerkmusici van het bevoegdheidsniveau I, II of III die een arbeidsovereenkomst van minstens 11 uur per maand hebben gesloten.

Vanaf 1 januari 1994 is de werkgever verplicht kerkmusici met een dienstverband van minder dan 11 uur eveneens tot de pensioenregeling toe te laten indien zij dat wensen. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient in de arbeidsovereenkomst de volgende zinsnede opgenomen te worden:

De werknemer (en diens echtgeno(o)te(e)) verklaart geen gebruik te maken van de mogelijkheid om zich vrijwillig als deelnemer aan te melden bij de Pensioenregeling die het R.-K. Kerkgenootschap heeft afgesloten met Centraal Beheer te Apeldoorn.” (datum vermelden en ondertekenen door alle partijen).

De premielast bedraagt 12% van het jaarsalaris, inclusief vakantiegeld, waarvan de werkgever 8% betaalt en de werknemer 4%. De situatie per 1 januari is bepalend voor het gehele kalenderjaar, behoudens latere indiensttre-ding of latere uitbreiding van het dienstverband. De parochie is als werkgever verplicht de verschuldigde premie in te houden bij de werknemer en af te dragen aan het AZL te Heerlen. Eens per jaar zal door het AZL een nota worden aangeboden.

11-07-2005