Nieuws

13 APR

Bossche Bisschoppen vóór de reformatie

FRANCISCUS SONNIUS (1506?-1576)
DE EERSTE BOSSCHE BISSCHOP WAS NIET WELKOM

 Op 11 maart 1561 vaardigde paus Pius IV een 'breve' uit, waarin het bisdom van 's Hertogenbosch werd omschreven. Een dag eerder - 10 maart 1561 - werd Franciscus van de Velde, beter bekend als Sonnius, tot eerste bisschop benoemd: naar zijn geboorteplaats Son (waarschijnlijk in 1506) koos hij de wapenspreuk 'Sine Onere Nihil' - niets zonder moeite. Sonnius, eind 1562 door kardinaal Granvelle in Brussel geconsacreerd, zag zijn taak in het jonge bisdom vooral in het laten doorwerken van de besluiten van het concilie van Trente, waaraan hij zelf actief had deelgenomen. Hij stuitte hierbij op grote moeilijkheden: het kapittel van St. Jan wilde niet met hem samenwerken; de bisschop van Luik bleef zich verzetten tegen een regeling die hem een groot deel van zijn bisdom kostte, de abdij van Tongerlo protesteerde tegen het afstaan van goederen voor de zogenaamde bisschoppelijke tafel en in 1566 vernietigde de zinloze beeldenstorm het interieur van de nieuwe kathedraal, de St.Jan. In 1569 bracht hij de nieuwe parochiële indeling van de stad in een viertal parochies tot stand, te weten St. Jan, St. Jacob, St. Pieter en St. Catrien. Op 13 maart 1570 volgde de benoeming van Sonnius tot bisschop van Antwerpen, waar hij in 1576 overleed.

 

 

 

 

LAURENTIUS METSIUS (ca. 1502-1580)
EEN BISSCHOP VOL TEGENSTRIJDIGHEDEN

Metsius was een oostvlaming, die kapitteldeken was van de St. Gudule in Brussel. Als wapenspreuk koos hij 'tempora nationum implentur' - de tijden van de volkeren worden vervuld. Hij werd benoemd op 13 maart 1570. Uit de overgebleven archiefstukken komt Metsius wat tegenstrijdig over. Enerzijds opende hij op 8 mei 1571 in de St. Jan de eerste diocesane synode om de Trentse hervormingen definitief door te voeren en ging hij aanstonds op visitatie in de door de reformatie meest bedreigde gedeelten van zijn bisdom, nl. het land van Heusden en Altena en de Bommelerwaard. Anderzijds arriveerde er bij de bisschop die in de Moriaan woonde, een schrijven van Pius V, die de bisschop op 2 juli 1571 aanspoorde om wat harder te werken. Einde 1577 verliet Metsius Den Bosch. Ook ten aanzien van dit vertrek zijn vraagtekens blijven bestaan. Weliswaar waren de omstandigheden moeilijk, maar rechtvaardigden deze het vertrek van de bisschop? Tijdens een verblijf in Namen werd Metsius met het bestuur van dit vacante bisdom belast. Hij overleed daar op18 september 1580.

 

 

 

CLEMENS CRABEELS (ca. 1534-1613)
HERSTELDE DE VERHOUDINGEN MET HET KAPITTEL

Het episcopaat van 1584-1592 kon door de tijdsomstandigheden niet zo spectaculair zijn. Crabeels, die de wapenspreuk had 'tempus faciendi Domine', tijd om te handelen, Heer, werd in zijn arbeid ernstig gehandicapt door de oorlogstoestand in de Meierij. Hij was voor zijn benoeming kapitteldeken van St. Baafs in Gent geweest. Tot zijn grootste verdiensten behoren, dat hij de verhouding tussen de bisschop en het kapittel van St. Jan, die na de oprichting van de bossche parochies in 1569 zeer slecht te noemen was, weer wist te verbeteren en dat hij afzag van de abdij Tongerlo, waarvan de incorporatie bij het bisdom sinds 1560 de grootste moeilijkheden had opgeleverd. Crabeels, die als eerste bisschop het huidige Jeroen Bosch Huis bewoonde, stierf plotseling op 22 oktober 1592. Zijn graf in de kathedraal is niet meer bekend.

 

 

GHISBERTUS MASIUS (ca 1545-1614)
STELDE ORDE OP ZAKEN NA DE BEELDENSTORM

Paus Clemens VIII benoemde op 1 november 1593 plebaan Ghisbertus Masius, ca. 1545 geboren in Zaltbommel tot vierde bisschop van 's Hertogenbosch. Masius, die de wat naargeestige wapenspreuk had 'omnia mors aequat', de dood maakt alles gelijk, kreeg mede door de gunstige politieke omstandigheden gelegenheid om in het bisdom orde op zaken te stellen. In 1612 hield hij een tweede diocesane synode; vele kerken die aan plundering en ontheiliging blootgestaan hadden, visiteerde en herwijdde hij: ook maakte hij het mogelijk dat de Jezuieten zich in 1610 in de bisschopsstad vestigden. Masius stierf op 2 juli 1614 en werd in de St. Jan begraven. Zijn praalgraf is, hoewel zwaar gehavend, tot op heden een van de weinige monumenten in barokstijl die in de Bossche kathedraal bewaard zijn gebleven (foto); het vormt de meest kostbare herinnering aan de generatie bisschoppen van voor 1629. In de Sint-Janskathedraal staat het grafmonument van Masius. 



 

 

NICOLAUS ZOESIUS (1564-1625)
GEWIJD EN BEGRAVEN IN DE SINT-JAN

De eerste bisschop van den Bosch, die in de St. Jan werd gewijd was Nicolaus Zoesius: op 10 mei 1615. Hij koos als wapenspreuk 'ex momento aeternitas', uit een oogwenk de eeuwigheid. Zoesius kon voortbouwen op het werk van Masius. In 1615 herstelde hij in het gebouw van het Arme Fraterhuis het seminarie, dat ook reeds onder Metsius had bestaan. De catechese had zljn heel bijzondere aandacht en hij benadrukte de residentieplicht van de pastoors. Het klooster van de norbertijnen te Postel werd tijdens zijn episcopaat tot zelfstandige abdij verheven. Tijdens een bezoek aan het Bossche College te Leuven, dat hij nog voor zijn episcopaat had gesticht, stierf hij plotseling op 22 augustus 1625. Hij werd in de St. Jan begraven, waar zijn grafzerk nog te zien is. 
 

 

MICHAEL OPHOVIUS (1570-1637)
BISSCHOP ZONDER VREES

De Bosschenaar Michael Ophovius, lid van de Dominicanerorde, was de eerste reguliere bisschop van het bisdom 's-Hertogenbosch. Ophovius was jarenlang prior van het Predikherenklooster te Antwerpen en vertrouweling van aartshertogin Isabella, die hem voordroeg voor de Bossche zetel. Zijn wapenspreuk 'luce et fructu', met licht en vrucht, kon Ophovius niet waar maken. Hij kreeg spoedig te maken met nieuwe oorlogshandelingen in de Meierij, uitlopend op het beleg van 's-Hertogenbosch. In die periode ontpopte hij zich als een man zonder vrees en een doortastend bestuurder. Hij ondertekende op 14 september 1629 de capitulatie van de stad, die ook voor hem ballingschap zou gaan betekenen. Het dagboek, dat de bisschop in de jaren 1629- 1631 bijhield, bevat ook gegevens over de laatste maand van het beleg en behoort tot de kostbaarste archiefstukken van het bisdom.
Ophovius verbleef nog dikwijls in het niet door de Staatse troepen bezette deel van zijn bisdom en weigerde einde 1629 de bisschopszetel van Brugge. Korte tijd woonde hij in Geldrop en Geel. Hij overleed te Lier op 4 november 1637 en werd begraven in de Dominicanerkerk te Antwerpen, de huidige St. Pauluskerk. Zijn grafmonument staat in Antwerpen.


 

 

 

JOSEPH BERGAIGNE (1588-1647)
BISSCHOP ZONDER ZETEL

De Franciscaan Joseph Bergaigne was weliswaar bisschop van 's-Hertogenbosch en zelfs aartsbisschop van Kamerijk, maar in geen van beide steden heeft hij ooit zijn stoel mogen neerzetten. Het had zelfs nogal wat in voor hij in 1641 tot bisschop werd benoemd. Bergaigne had namelijk moeilijkheden gehad met de nuntius in Brussel en bovendien hadden de Staten Generaal alle bezittingen van zijn voorganger Ophovius geconfisceerd, zodat Bergaigne zonder inkomsten zat. Sterker: de Staten verboden hem zelfs de toegang tot zijn bisdom.
In 1645 benoemde de Spaanse koning Bergaigne tot aartsbisschop van Kamerijk, maar voordat hij daar zijn werkkamer kon inrichten, overleed hij. Het grafmonument van deze bisschop is verdwenen.

 

13-04-2005