Nieuws

13 APR

Geschiedenis van het Bisdom

Brabant, gelegen in het hart van wat later de zeventien Nederlandse gewesten zouden worden, vernam de eerste evangelieprediking vanuit noord en zuid. Vanuit het zuiden kwam in de zevende eeuw Lambertus bisschop van Maastricht. Tegen het einde van die eeuw drong ook de invloed van St.Willibrord hier door.

(Korte geschiedenis van het Bisdom van ‘s-Hertogenbosch)

Toen de periode van de missionering afgeloten was, kwam het grootste gedeelte van het huidige bisdom onder het diocees Luik. Dit zou ongeveer achthonderd jaar duren. In de bulle Super Universas van 12 mei 1559 richtte paus Paulus IV nieuwe bisdommen op in de Nederlanden. In het midden-nederlandse gebied werd het aartsbisdom Mechelen opgericht. Hieronder vielen naast Antwerpen, Gent en Brugge ook de nieuwe zetels van 's Hertogenbosch en Roermond. De feitelijke oprichting van het Bossche bisdom vond plaats op 11 maart 1561.

De oude vestingstad was in 1185 door hertog Hendrik I van Brabant gesticht aan de noordelijke grens van zijn hertogdom. De stad werd het middelpunt van een bisdom dat zich uitstrekte over de Meierij van Den Bosch, de Langstraat, Bommelerwaard en een gedeelte van de Belgische Kempen. Eerste bisschop was Franciscus Sonnius. De prachtige gotische Sint-Janskerk, gebouwd tussen 1380 en 1530, werd de kathedraal van het bisdom.

Het ontstaan van het bisdom viel niet direct onder een gelukkig gesternte: in 1566 vernielden beeldenstormers het interieur van de St. Jan; de tweede bisschop Laurens Mets(ius) probeerde zonder veel succes de Reformatie in het noordwestelijk gedeelte van het bisdom (Bommelerwaard, Land van Heusden en Altena) te keren en zag zich in 1577 zelfs gedwongen naar zuidelijker gewesten uit te wijken. Het werk van bisschoppen als Masius, Zoesius en Ophovius, die de Bossche kerk opbouwden in de geest van het Concilie van Trente en een grote stoot gaven aan nieuwe bloei van de Catholica in deze streken, werd teniet gedaan door de val van 's-Hertogenbosch in 1629.
Ook bisschop Ophovius verliet de stad, waar de reformatorische eredienst voortaan haar centrum vond in de Sint Jan. Voor katholieken brak de tijd aan van de Generaliteitslanden - een tijd waarin ze werden getolereerd, maar niet erkend werden als gelijkwaardig. De katholieke godsdienst, waaraan het overgrote deel van de bevolking gehecht bleef, vond vooral na 1672 haar voortbestaan in talrijke schuur- en schuilkerken.

Het einde van de 18e eeuw bracht de omwenteling: er kwam meer vrijheid voor de katholieken. In 1810 gaf keizer Napoleon I de Sint-Janskerk aan de katholieken terug en onder de regering van Willem II werd het herstel van het kloosterleven mogelijk. In 1853 verkreeg 's-Hertogenbosch in Joannes Zwijsen , die ook aartsbisschop van Utrecht was, zijn eerste bisschop sinds twee eeuwen. De periode 1850-1950 kan de periode van de ‘katholieke herleving’ worden genoemd. De uitbouw van de sociale organisaties en de opbouw van het katholiek onderwijs werden sterk gestimuleerd door de bisschoppen Wilhelmus van de Ven en Arnold Diepen.

Volop werden in die jaren Waterstaatskerken en vooral neo-gotische kerken gebouwd en in 1858 begon de restauratie van de Sint-Janskathedraal, die pas in 1985, bij het bezoek van paus Johannes-Paulus II zou worden voltooid.

13-04-2005