Fiscale vrijwilligersregeling

Bijna iedereen heeft weleens van de vrijwilligersregeling gehoord. De regeling lijkt heel eenvoudig, maar roept altijd de nodige vragen op. In feite komt de regeling erop neer dat vrijwilligers werkzaam voor bepaalde instellingen een vrijwilligersvergoeding kunnen krijgen, zonder dat dit gevolgen heeft voor de loonbelasting en inkomstenbelasting.

vrijwilliger
De fiscus verstaat onder vrijwilliger degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld.
Aangezien kerkelijke instellingen via de groepsbeschikking zijn aangewezen als ANBI-instellingen, wordt automatisch voldaan aan de voorwaarde dat men arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling
 
Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is dat de eventueel ontvangen vergoeding niet in verhouding staat tot de omvang en het tijdsbeslag van de verrichte werkzaamheden en het karakter heeft van een kostenvergoeding.
De vrijwilligersregeling kan slechts worden toegepast als sprake is van werkzaamheden, die men niet “bij wijze van beroep” verricht.  Bij de beoordeling van de vraag of men beroepshalve werkzaamheden verricht, is vooral van belang of men relatief veel tijd in het werk steekt en of men een beloning geniet die in overeenstemming met het werk is.
 
reële onkostenvergoeding
In ieder individueel geval zal beoordeeld moeten worden in hoeverre men onder de vrijwilligersregeling valt. Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat bij een marktconforme beloning geen sprake kan zijn van een vrijwilligersvergoeding. Bij de beoordeling of er in concrete situaties sprake is van een marktconforme beloning zullen diverse omstandigheden in de afweging meegenomen moeten worden.
Een vergoeding die niet hoger is dan de naar redelijkheid te bepalen kosten kan niet worden aangemerkt als loon in de zin van de loonbelasting. Evenmin is sprake van inkomen in de zin van de inkomstenbelasting. Deze vergoedingen kunnen dan ook onbelast worden uitgekeerd, ongeacht of zij de hierna te noemen normbedragen van de vrijwilligersvergoeding  overschrijden.
Daarbij komt bovendien geen betekenis toe aan de beperking van belastingvrij te vergoeden kosten, zoals bijvoorbeeld de beperking van de autokostenvergoeding(€ 0,19 per km.).
Iemand geniet pas inkomen uit werk en woning als redelijkerwijze kan worden verwacht dat, op langere termijn bezien, de opbrengsten de kosten zullen overtreffen.
 
forfaitaire bedragen
Hoewel de vrijwilligersvergoeding aldus het karakter dient te hebben van een kostenvergoeding, wordt geacht hieraan te zijn voldaan als aan de vrijwilliger vergoedingen of verstrekkingen worden gedaan met een gezamenlijke waarde van maximaal € 150 per maand en maximaal € 1.500 per kalenderjaar. Binnen deze maximumbedragen wordt door de fiscus een uurvergoeding van maximaal € 4,50 (of € 2,50 voor een vrijwilliger jonger dan 23 jaar) als vrijwilligersvergoeding beschouwd.
Als een vrijwilliger in verband met door hem verricht vrijwilligerswerk uitsluitend een vergoeding ontvangt die niet hoger is dan de hierboven genoemde toegestane normbedragen, kan dus zonder nader onderzoek worden aangenomen dat deze vergoeding strekt tot bestrijding van uitgaven die de vrijwilliger in verband met het verrichten van de arbeid moet doen. Deze vergoeding kan daarom niet worden aangemerkt als loon voor de loonbelasting. Voor de heffing van de inkomstenbelasting kan ervan worden uitgegaan dat in de hier bedoelde vergoeding geen voordeel is gelegen dat tot het inkomen uit werk en woning is te rekenen.
 
Overigens zij opgemerkt dat bovengenoemde normbedragen gelden per vrijwilliger. Als de vrijwilliger voor meerdere instellingen vrijwilligerswerk verricht, dienen alle vergoedingen bij elkaar genomen niet meer te bedragen dan bovengenoemde normbedragen, wil men in aanmerking komen voor de vrijwilligersregeling.
 
hogere vergoeding
Als de vergoeding meer bedraagt dan de hiervoor bedoelde bedragen zou in beginsel van geval tot geval moeten worden beoordeeld of de vrijwilliger al dan niet in dienstbetrekking werkzaam is. In de praktijk kan echter vaak moeilijk worden vastgesteld of aan de daarvoor geldende criteria is voldaan. Uit praktische overwegingen wordt daarom vaak de verstrekte vergoeding jaarlijks aan de inspecteur doorgegeven met het formulier "Opgaaf van uitbetaalde bedragen aan een derde"(IB47-formulier). De vrijwilliger dient alsdan de vergoeding op te geven in de aangifte IB in BOX 1 onder de rubriek ‘resultaat uit overige werkzaamheden’.
 
In het geval sprake is van een fictieve dienstbetrekking, is de keuze voor opgaaf van de uitbetaalde bedragen via een IB47-formulier in feite uitgesloten. Daarbij is met name de zogenoemde gelijkgesteldenregeling van belang (art. 2c Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965). Deze regeling bepaalt dat als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste twee dagen in de week tegen een bruto-inkomen dat doorgaans over een week ten minste zal bedragen 2/5 maal het wettelijk minimumloon. In deze situatie dient de vrijwilliger op de normale wijze te worden opgenomen in de loonadministratie.
 
resumé
In twee gevallen kan sprake zijn van een vrijwilligersvergoeding, ervan uitgaande dat men zich kwalificeert als vrijwilliger in de zin van de loonbelastingwet(zie onder kop 'vrijwilliger'):
  • Als de vrijwilliger slechts een vergoeding krijgt, die strekt tot bestrijding van uitgaven die de vrijwilliger in verband met het verrichten van de arbeid moet doen. Deze kosten moeten worden aangetoond(oftewel een reële onkostenvergoeding).
Of
  • Als de vrijwilliger slechts een vergoeding krijgt, die voldoet aan de fiscale normbedragen. Er hoeft niet te worden aangetoond of daadwerkelijk kosten zijn gemaakt in verband met de vrijwilligerswerkzaamheden.